Snacksentimenten
Er is een hoop wat mijn geliefde wonderlijk aan mij vindt, maar dat ik vóór mijn negentiende nooit een frikandel had gegeten staat toch wel in haar top vijf. Ik was dus blij om erachter te komen dat mijn zus, die als aanzienlijk minder wereldvreemd wordt beschouwd en bovendien negen jaar langer dan ik op deze aardkloot rondloopt, zelfs helemaal nog nooit zo’n ding verorberd heeft. Ze leek ook geenszins van plan daar verandering in aan te brengen.
‘Het ziet er toch onsmakelijk uit,’ was de verantwoording die ze bracht alsof dat toch wel voor zich mocht spreken.
En dat deed het ook wel. De slappe en bleke uitstraling van die vleesslurf - waar de vreemdste dingen in zouden zitten, zoals koeienogen, fietsbanden en belastingpapieren - deed mij ook lang de voorkeur geven aan kroket of kaassoufflé. Niet dat we die nou vaak aten. De weinige keren dat ik in mijn jeugd een snackbar bezocht, was dat omdat het eten was mislukt.
Mijn moeder drukte mij dan geld in de hand en fluisterde me achterna: ‘Zorg ervoor dat de buren je niet zien.’
Verstopt in mijn jas snelde ik vervolgens naar Vreterij de Smulpaap, niemand mocht erachter komen dat het eten was mislukt. Aan tafel deden we ons best om met lange tanden te verhullen dat we dit voedsel misschien wel heel lekker vonden.
‘Het bewijst maar weer eens uit wat een elitair nest jij komt,’ sprak m’n geliefde, die frikandellen met de paplepel ingegoten had gekregen.
‘Maar in tegenstelling tot m’n zus heb ik wel mijn snackhorizon verbreed,’ nam ik het voor mezelf op.
Dat was waar; zoals sommigen in hun studententijd experimenteren met verdovende middelen, zo haalde ik mijn frikandellenachterstand ruimschoots in.
De snackbar is tegenwoordig een meditatieve plek voor mij. Als ik patat haal, laat ik mijn telefoon thuis, en nadat ik mijn bestelling heb uitgesproken zit ik op een plastic stoel achter een tijdschrift te staren in het niets. Ik hoef geen schaamte mee te dragen, ik haal ordinair voedsel omdat we daar simpelweg trek in hebben. En nou ja, meestal is er die dag weinig tijd om te koken, dat helpt natuurlijk ook wel mee. De meditatie wordt met regelmaat bruut doorbroken door de snackbarman die vraagt wat voor saus ik bij mijn mexicano wil, en of de patat een kleine patat of een grote patat moet zijn. Dit heb ik natuurlijk allemaal al gezegd, ik ben uiterst precies bij het uitspreken van mijn bestellingen, maar de snackbarman schrijft nooit iets op. Snackbarmannen doen dat bijna nooit, het lijkt erop dat ze een beroepstrots halen uit het memoriseren. Maar deze vergeet dus soms de essentiële details: of de oorlog nou met of zonder uitjes was, de bal met of zonder broodje.
Soms heb ik zin om hem aan te moedigen.
‘Je weet het wel, snackbarman,’ wil ik dan zeggen, alsof ik hem woordjes voor Frans overhoor.
En hoe vaker ik mijn snacks herhaal, hoe vreemder ze gaan klinken. Alsof iemand ooit besloot dit toneelstuk te beginnen, en de rekwisieten die in de vitrine staan uitgestald enkel voor de vorm in het vet worden geworpen.


